Wanneer het lid iets vertelt, of wanneer je bezorgd bent, is het belangrijk om te beseffen dat je het probleem niet moet oplossen. Jouw rol bestaat uit luisteren, signaleren en doorverwijzen.
Probeer, indien mogelijk, een rustig moment te zoeken om met het lid te praten. Dit hoeft geen zwaar gesprek te zijn. Soms kan een eenvoudige vraag al voldoende zijn om een gesprek op gang te brengen.
Tijdens zo’n gesprek is je houding cruciaal:
- Zoek een rustige context waarin je gemakkelijk en veilig in gesprek kan gaan.
- Blijf rustig en neem je tijd.
- Luister zonder te oordelen of te onderbreken.
- Ga op ooghoogte zitten en liefst naast de persoon, dit maakt dat je minder bedreigend overkomt.
- Stel open vragen en laat ruimte voor stilte.
- Toon dat je hem/haar/hun serieus neemt.
- Probeer de antwoorden regelmatig te herhalen om te weten of je het wel goed begrijpt.
Wat je zegt kan een groot verschil maken. Uitspraken zoals “Ik ben blij dat je dit vertelt” of “Je hoeft hier niet alleen mee te zitten” geven erkenning en veiligheid. Tegelijk is het belangrijk om geen geheimhouding te beloven. Maak dus geen beloftes die je niet kan waarmaken. Je kan wel aangeven dat je samen zal kijken wie kan helpen.